In memoriam: Jelle Vleer

16 oktober jl. ontvingen wij het verdrietige bericht van het overlijden van onze oud-voorzitter en een van de grondleggers van Terre des Hommes in Nederland: Jelle Vleer. Hij heeft zich vanaf het eerste uur voor onze organisatie ingezet. Zijn visie en inspanningen hebben Terre des Hommes mede gevormd tot de organisatie die het vandaag de dag is.

Een van de laatste interviews met Jelle Vleer verwoordt bondig zijn bevlogen loopbaan binnen Terre des Hommes.

Oud-voorzitter Jelle Vleer: ‘Eén telefoontje en ik zat in Biafra’

Als pas afgestudeerd arts heeft Jelle Vleer begin december 1968 maar één wens: weg uit Nederland. Dan is het zover. Hij mag weg en wel naar het door oorlog en honger geteisterde Biafra, een provincie van Nigeria. Terugkijkend op die periode is hijzelf nog steeds verbaasd hoe gemakkelijk het was om te worden uitgezonden. Eén telefoontje en het was in orde, vertelt hij in zijn fraaie Noord-Hollandse woning met vrij uitzicht over de weilanden. “Bij mijn ouders thuis lag een klein foldertje van Terre des Hommes dat toen in Nederland nog maar een paar jaar bestond. Dat was voor mij de ideale mogelijkheid om naar het buitenland te gaan en ook nog goed werk te doen. Ik heb een bestuurslid gebeld met de vraag of ik iets kon doen voor Terre des Hommes. ‘Ja hoor, je kunt naar Biafra’, was het antwoord. We hebben een afspraak gemaakt en zijn in een flatje bij elkaar gaan zitten om een team te formeren dat bestond uit drie verpleegkundigen en mezelf.”

Vlak voor de kerst van 1968 kwam het Terre des Hommes-team in Gabon. Vanuit dit land was een luchtbrug naar het geïsoleerde gebied. In de eerste maand werkte Vleer tijdelijk voor het Franse Rode Kruis. Daarmee werd ‘s nachts voedsel naar Biafra gebracht. “We maakten een landing op een soort rijksweg en laadden dan razendsnel de gedroogde stokvis, melkpoeder, benzine en andere producten in de vrachtwagens die klaar stonden. Vervolgens kregen we kinderen mee die ondervoed waren en die vlogen we terug naar Gabon. Het was een levensgevaarlijke operatie, want het Nigeriaanse leger wilde niet dat de bevolking van Biafra hulp kreeg. Hun vliegtuigen cirkelden continu boven het vliegveld. Als we aankwamen, gingen de lampen van de landingsbaan dan ook maar heel kort aan en moest de piloot op hoop van zegen en onder een bommenregen zien te landen. Gelukkig is dat bijna altijd goed gegaan. Maar spannend was het wel.” 

Na een maand vanaf Gabon gewerkt te hebben, vertrok het team naar het eiland Sao Tomé. De lokale autoriteiten gaven het team een schooltje waar een ziekenboeg werd ingericht. “We hebben daar ontzettend fijn gewerkt,” zegt Vleer. “Ik zal nooit de talloze mensen vergeten die in dikke rijen stonden en waar de moeders hun zieke en ondervoede kinderen aan ons wilden meegeven. We hadden maar plek voor driehonderd kinderen, dus we moesten kiezen. De norm die we hadden gesteld was of de kinderen nog wel billen hadden. Was dat niet meer het geval dan behoorden zij tot de uitverkorenen. De anderen moesten wachten. Dat waren hartverscheurende taferelen.”

De registratie van de kinderen verliep primitief: “We schreven de namen in schoolschriftjes en hingen de kinderen een koperen nummertje om de pols. Wij dachten toen euforisch dat die kinderen gewoon zouden terugkeren naar hun familie, want de familieband en gemeenschapszin in Afrika is sterk.”

Een van de meest bijzondere ervaringen die hij meemaakte, was kerstfeest 1969 op Sao Tomé. “Waar we de waanzinnigheid vandaan haalden, weet ik nog niet, maar we haalden het in ons hoofd om een weekje vrij te nemen. Ondanks het gevaar uit de lucht te worden geschoten gingen we naar Sao Tomé, het lepra-eiland. We maakten er een kerkdienst mee hoe de verlamden de kerk in werden gedragen onder het zingen van ontroerende liederen. We waren tot tranen toe bewogen.” 

Koerdistan

Uiteindelijk zou Vleer anderhalf jaar in het Afrikaanse land blijven. Na zijn terugkeer had hij de smaak van het reizen te pakken. Hij zei ja tegen een opdracht van Terre des Hommes om naar Koerdistan te gaan. Vanuit de Iraanse hoofdstad Teheran vertrekken en dan naar het noorden van het land om dan per paard de bergen over te gaan naar Koerdistan. Zo was het plan, vertelt Vleer: “Op het Terre des Hommes-hoofdkantoor kreeg ik te horen dat er een contactpersoon was in Teheran. Hij zou me verder helpen. Maar toen ik aankwam, bleek deze man te zijn vermoord. Ik heb enkele weken in Teheran gezeten, ben naar Bagdad vertrokken en kon uiteindelijk met hulp van een hoge ambtenaar naar Koerdistan. We hebben een klein ziekenhuis opgezet waar ik de enige Europeaan was. Voor de plaatselijke bevolking was dat blijkbaar zo bijzonder dat de dorpsoudste zijn zonen voor de deur van mijn hut liet slapen zodat mij maar niets zou overkomen.”

In de beginjaren droeg hij zeker de helft van de hulpprojecten zelf aan. “Elke zomervakantie trok ik er drie weken op uit om geschikte projecten te zoeken. Van Libanon en Zuid-Amerika tot Indonesië en Korea. In Indonesië ontmoette ik een zeer bevlogen pater, Ibrahim Wessels. Hij is jarenlang onze regiovertegenwoordiger geweest en dat is altijd prima gegaan. Bij het zoeken naar geschikte regiovertegenwoordigers hielden we betrouwbaarheid en kleinschaligheid hoog in het vaandel. Pas als we een daadkrachtige figuur vonden, startten we met een project.”

Begonnen als vrijwilliger raakte Vleer al snel betrokken bij het bestuur van Terre des Hommes waarvan hij later ook voorzitter werd. Onder zijn leiding maakte Terre des Hommes de overgang door van een noodhulporganisatie naar een organisatie gericht op structurele hulp. “We wisten niet precies wat het inhield, maar het was voor ons wel duidelijk dat dat hard nodig was.”

Terre des Hommes deed het goed, bijna tot zijn eigen verrassing. “Het is een gouden greep geweest om in alle regio’s waar we werkten regiovertegenwoordigers aan te stellen. Zij zijn de ogen en oren van de organisatie en het is hun taak om goede en degelijke lokale projectpartners te vinden. Dat heeft bijgedragen aan ons succes. Je kunt niets beginnen zonder de juiste mensen met wie je goed samenwerkt.”

Ontwikkelingssamenwerking  

Ontwikkelingssamenwerking zit anders dan veertig jaar geleden in het verdomhoekje. Het doet Vleer pijn. Hoe moet het verder? “Ik blijf ervan overtuigd dat ontwikkelingssamenwerking noodzakelijk is. De Nederlandse bevolking is het moreel verplicht de enorme eigen rijkdom te delen met anderen die het zoveel minder hebben getroffen." 

Publiek debat

In de ogen van Vleer moet Terre des Hommes zich ook meer laten gelden in het publieke debat. De organisatie heeft altijd wel durf en lef gehad, maar is tegelijkertijd bang geweest om controversieel te worden. “Vroeger als voorzitter was ik wel bang voor politieke stellingnamen, nu niet meer. Terre des Hommes moet zich verbreden en niet bang zijn voor politieke discussies. Bovendien: als je heel eerlijk bent, kun je als ontwikkelingsorganisatie de discussie over eerlijke handel niet uit de weg gaan. Anders blijft ons werk een druppel op de gloeiende plaat.”

 

Share this:

Gerelateerd nieuws